Woensdag 17 juni jl. zetten 17 gemeenten, 2 provincies, 2 waterschappen en het Rijk hun handtekening onder de samenwerkingsovereenkomst voor NOVEX De Peel. Het kabinet investeert 300 miljoen euro in de regio. Dat maakt uitvoering mogelijk van maatregelen die natuurherstel versnellen, verdroging tegengaan en de stikstofdruk op kwetsbare natuur verminderen. Met de ondertekening verschuift de aandacht van plannen naar uitvoering.
Dat kwam me bekend voor!
In de periode 1991 - 1995 werkte ik als beleidsambtenaar van een Peelgemeente mee aan wat toen de Nadere Uitwerking Brabant Limburg heette: ook een regionale uitwerking van nationaal beleid door samenwerkende overheden. De aanleiding toen was de mestproblematiek en de effecten van ammoniak op natuurgebieden, die nu ook weer worden genoemd. Destijds verkenden wij een gebiedsgerichte aanpak met een zonering: landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden, extensiveringsgebieden, varkensvrije zones en natuurbeschermingsgebieden.
Goh, dacht ik, zouden we van die aanpak wat geleerd hebben?
Al googelende kwam ik uit bij een notitie uit mei 2021 opgesteld in opdracht van de Stuurgroep NOVI De Peel van Wiebren Kuidersma (WUR) en gefinancierd door het toenmalige ministerie van LNV. Het heeft de pakkende titel “Leren van eerdere generaties integraal gebiedsgericht beleid voor de NOVI-gebiedsaanpak in de Peel’.
Wow, dacht ik, dat is mooi. Vooral waar de derde alinea afsluit met de zin: ‘Deze lessen zijn ook toepasbaar voor andere integrale gebiedsprocessen’. En daarmee moeten we nu op basis van de Omgevingswet met inzet van de omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan juist aan de slag.
Allereerst wordt geconstateerd dat het beleid golfbewegingen kent. De populariteit van integraal gebiedsgericht beleid wisselt af met periodes waarin meer nadruk ligt op sectoraal beleid. Oftewel: ‘Het integrale gebiedsgerichte beleid komt meestal op als reactie op vastgelopen uitvoering van gestapeld sectoraal beleid. Meer nadruk op sectoraal beleid komt op uit teleurstelling over het integrale gebiedsgerichte beleid en behoefte aan daadkracht en doorzettingsmacht.”
Tja, wat is er soms weinig nieuws onder de zon! Hieruit kun je al wel leren dat beide typen beleid kennelijk nodig zijn en het ene niet beter is dan het andere.
De eerste golf was er eind jaren 80 van de vorige eeuw en droeg namen als ROM-gebiedenbeleid, Nadere Uitwerkingen en WCL-gebieden. Kenmerkend hierbij was dat een informeel karakter had (netwerksturing), het initiatief van het Rijk kwam, provincies nauw betrokken waren en de betrokkenheid van maatschappelijke organisaties verschilde.
De tweede golf integraal gebiedsbeleid was er tussen 1998 en 2010 onder de Reconstructiewet concentratiegebieden. In 2007 trok het Rijk zich terug, vanaf 2010 werd sectoraal beleid belangrijker en in 2014 verdween de wet weer.
Nu dient zich de derde golf aan met zogenaamde NOVEX gebieden en kunnen de volgende lessen geleerd worden:
1 Zorg voor voldoende ruimte in sectorale beleidstrajecten door eerst ruimte te maken in het onderliggende sectorale beleid of door werkende weg problemen op te lossen.
2. Maak afspraken op bestuurlijk niveau: bestuurlijk commitment is een belangrijke succesfactor. Samenwerking moet je organiseren en ontstaat niet vanzelf.
3. Zorg voor verankering in de formele democratie: bestuurlijk en ambtelijk polderen alleen is niet genoeg. Vroege betrokkenheid van volksvertegenwoordigers is hard nodig.
4. Polderen heeft meerwaarde mits het niet beperkt blijft tot overleg en samenwerking tussen overheden, maar ook maatschappelijke organisaties worden betrokken.
5. Zorg voor burgerparticipatie: één van de moeilijkste onderwerpen bij integraal gebiedsgericht beleid, zeker nu mensen zich steeds minder laten vertegenwoordigen door maatschappelijke organisaties en overheden.
6. Strategisch gebruik van pilots en experimenten voorkomt compromissen waar niemand blij van wordt en die weinig vernieuwend zijn. Het stimuleren van innovatie met pilots en experimenten geeft voorlopers de kans om te oefenen en om aanpakken te ontwikkelen.
7. Sluit de inzet van dwingende instrumenten niet uit: integraal gebiedsgericht beleid gaat niet altijd samen met vrijwilligheid. Dwang kan in de uitvoeringsfase nodig zijn.
8. Slim inzetten van zonering kan doorwerken naar omgevingsplannen en omgevingsverordeningen. Ook schept dit een gemeenschappelijke taal, die overleg structureert.
9. Wees niet naïef in de mate van integraliteit, omdat dit niet alle sectorale gebiedsprocessen met bijbehorend beleid en regelgeving kan vervangen. Het gaat om slim afstemmen van sectorale en integrale processen in situaties waar dit anders tot conflicten kan leiden of waardoor kansen voor het efficiënt combineren van opgaven worden gemist. Dus: niet koste wat kost alles met alles integreren, maar situaties in beeld brengen waar dat meerwaarde heeft voor uitvoerbaarheid en efficiency. Aanbevolen wordt om gebruik te maken van effectieve bestaande structuren.
Wie het hele verhaal wil lezen met de voorbeelden die erbij zijn gegeven: zie: https://edepot.wur.nl/562924
Ze zeggen wel eens dat wie zijn geschiedenis niet kent, gedoemd is die te herhalen. Dit soort rapportages zijn dan juweeltjes. Doe er anno 2026 je voordeel mee.
